1. Opstand van het onderdak
2. Thermische isolatie van het dak (dikte: disol dak)
3. Vochtbestendige tussengevoegde isolatie (dikte: dinsulating part)
4. Verholen dakgoot
5. Slab
6. Startprofiel uit PVC
7. Zwelband
8. Isolatieplaat (ETICS) (dikte: disol ETICS)
9. Lijm (ETICS)
10. Bepleistering (ETICS)
TV 257 § 5.4 AANSLUITINGEN MET DE DAKRANDEN VAN HELLENDE DAKEN
De gevelwerker start doorgaans na de dakwerken. De werkzaamheden met betrekking tot de gevelisolatie worden uitgevoerd in de zones waar de bepleistering aangebracht zal worden. Men moet erop toezien dat de isolatielagen goed aansluiten. De aansluitingen aan de aanzet van een hellend dak (zie § 5.4.3, p. 68), gebeuren volgens hetzelfde principe als bij de aanzet van een plat dak. De aansluitingen onderaan het dakvlak (zie § 5.4.1) en met de dakzijrand (zie § 5.4.2) moeten op een zodanige manier ontworpen en uitgevoerd worden dat het bovenste gedeelte van het ETICS beschermd wordt. Er moet een voldoende grote dakoversteek zijn om de plaatsing van het systeem toe te laten en de blootstelling van het ETICS aan vocht te beperken. Het ETICS kan aangesloten worden tot tegen de bekleding van de dakoversteek, waarvan het zichtbare gedeelte vooraf beschermd dient te worden. Er wordt eveneens een zwelband voorzien ter hoogte van de aansluiting tussen de isolatie van het ETICS en de bekleding van de dakoversteek (zie afbeeldingen 73 tot 76, p. 66 tot 67). Na het aanbrengen van de bepleistering wordt deze ingesneden ter hoogte van de aansluiting met de bekleding van de dakoversteek, om het risico op eventuele scheurvorming te beperken. Het is aan te raden om een soepele voeg te voorzien ter hoogte van de aansluiting tussen de bekleding van de dakoversteek en de bepleistering (deze taak valt meestal niet onder de bevoegdheid van de gevelwerker). Een alternatieve oplossing is de plaatsing van een decoratieve dakrand aan de onderzijde, eventueel voorzien van een plint. Dit gebeurt na de uitvoering van het ETICS en eerder aan het bovenste uiteinde van het ETICS, zodat het einde van de bepleistering aan het zicht onttrokken wordt (zie afbeelding 73).
TV 257 § 5.4.3 AANSLUITING AAN DE AANZET VAN HELLENDE DAKEN
De gevelwerker gaat van start nadat de dakwerken uitgevoerd zijn in overeenstemming met de aanbevelingen uit de TV’s 175 [W6], 186 [W7], 202 [W9], 219 [W11], 240 [W12] en 251 [W17]. De aansluitingen moeten op een zodanige manier ontworpen en uitgevoerd worden dat de aanzet van het ETICS zich minstens 15 cm boven het hoogste niveau van de dakbedekking bevindt. Er wordt een vochtbestendige isolatieplaat aangebracht tussen de dakisolatie en de isolatie van het ETICS. Het zichtvlak van de bepleistering van het ETICS moet bij voorkeur uitspringen (ongeveer 2 cm) ten opzichte van de slab om regenwater dat van de gevel afloopt, weg te leiden en de aansluiting met een startprofiel uit PVC te vergemakkelijken. Daarnaast wordt er een zwelband aangebracht ter hoogte van de aansluiting tussen de slab en het startprofiel van het ETICS (zie afbeeldingen 77 en 78). De overgang tussen de dakisolatie en de isolatie van het ETICS van de buitenmuur moet geïntegreerd worden als bouwknoop in overeenstemming met de EPB-regelgeving. In het merendeel van de gevallen zal de continuïteit van de isolatielagen verzekerd worden met behulp van een tussengevoegd isolerend deel (basisregel nr. 2), net als bij de aanzet van een plat dak (zie § 5.3.1, p. 61). Deze bouwkundige oplossing vereist een regelmatig onderhoud van de dakrand.