Bewegingsvoeg tussen een betonnen draagvloer en een opgaande muur. Bitumineuze afdichting

Terug naar : bouwdetails
Referentienummer:
1066
Publicatiedatum:
Bouwelementen:
Bron:

TV__244__Fiche 096-1-0


1. Opgaande muur van een belendend gebouw
2. Dragende muur van het beschouwde gebouw
3. Bewegingsmogelijkheid (soepel isolatiemateriaal)
4. Betonnen draagvloer in helling
5. Thermisch isolerende of geïsoleerde opkant
6. Dampscherm (zie TV 215, hoofdstuk 6)
7. Thermische isolatie (waarvan de dikte afgestemd dient te worden op de geldende thermische regelgeving)
8. Hoeklat of versterkte hoek
9. Dakafdichting
10. Soepele isolatie om koudebruggen te vermijden en de verticale bewegingen op te vangen
11. Elastische voegafdichting die verbindbaar is met de dakafdichting
12. Steunprofiel
13. Voegbodem
14. Soepele voeg
15. Mortellijm
16. Thermische isolatie (waarvan de dikte afgestemd dient te worden op de geldende thermische regelgeving)
17. Buitenbepleisteringssysteem op thermische isolatie (ETICS)
De detailleringen in deze Technische Voorlichting zijn geldig voor de binnenklimaatklassen I tot en met III. Voor de binnenklimaatklasse IV is er doorgaans een bijkomende studie vereist, teneinde na te gaan of er geen inwendige condensatieproblemen kunnen ontstaan. Dit is voornamelijk het geval wanneer er, zoal hier, gebruikgemaakt wordt van een thermische onderbreking of isolerend metselwerk in de dakopstand.

De voegafdichting kan gebeuren met behulp van een ongewapend, elastisch membraan met een losliggende zone (nr. 11) dat verenigbaar is met de bitumineuze afdichting (bv. elastomeer met aan de onderzijde een bitumen) of - wanneer de bewegingen beperkt zijn - met een membraan uit gemodificeerd bitumen. In dit laatste geval dient men tijdens elk onderhoud van het dak te controleren of de onvermijdelijke plooivorming geen aanleiding geeft tot schade.

In deze fiche wordt de uitvoering van een eenlaagse bitumineuze afdichting weergegeven. Voor de uitvoeringsprincipes voor meerlaagse bitumineuze afdichtingen aan de opstanden verwijzen we naar § 5.4.1 in het algemene deel van de TV 244.

Bij eenlaagse bitumineuze afdichtingen die afgewerkt zijn met leischilfers, wordt de overlapverbinding idealiter op de fabrieksmatig voorziene neutrale zone (zonder leischilfers) uitgevoerd. Wanneer dit om uitvoeringstechnische redenen niet mogelijk is, dient men in zones waar er een zeker risico op plasvorming bestaat veiligheidshalve een bijkomende strook onderlaag onder de overlapverbinding te voorzien.


Gerelateerde publicaties