Naar hoofdinhoud

Het WTCB werd Buildwise: lees er hier alles over.

Bestaande muurvoet - Aansluiting met een vloerplaat boven een gewelfde kelder - Renovatiewerken die toelaten om de overdikte van de vloer te beperken: isolatie van de gevel langs de binnenzijde en isolatie van de kelders

Referentienummer:
1424
Publicatiedatum:
Bouwelementen:
Draagstructuur:
Ontworpen i.k.v.:
BeReel

  • 1. Massieve muur uit baksteen
  • 2. Thermische isolatie en haar bevestigingssysteem (zie artikel Buildwise 2013/02.04)
  • 3. Dampscherm
  • 4. Leidingspouw
  • 5. Binnenafwerking
  • 6. Weinig vochtgevoelig isolerend bouwblok
  • 7. Vloerafwerking
  • 8. Dekvloer
  • 9. Eventueel membraan (PE-folie)
  • 10. Eventuele akoestische isolatie
  • 11. Draagvloer met een gewelf
  • 12. Gespoten isolatie
  • 13. Eventuele injectiezone tegen opstijgend vocht
  • 1. Massieve muur uit baksteen
  • 2. Thermische isolatie en haar bevestigingssysteem (zie artikel Buildwise 2013/02.04)
  • 3. Dampscherm
  • 4. Leidingspouw
  • 5. Binnenafwerking
  • 6. Weinig vochtgevoelig isolerend bouwblok
  • 7. Vloerafwerking
  • 8. Dekvloer
  • 9. Eventueel membraan (PE-folie)
  • 10. Eventuele akoestische isolatie
  • 11. Thermische isolatie
  • 12. Draagvloer met een gewelf
  • 13. Eventuele injectiezone tegen opstijgend vocht
  • 14. Thermische isolatie
  • 1. Massieve muur uit baksteen
  • 2. Thermische isolatie en haar bevestigingssysteem (zie artikel Buildwise 2013/02.04)
  • 3. Dampscherm
  • 4. Leidingspouw
  • 5. Binnenafwerking
  • 6. Weinig vochtgevoelig isolerend bouwblok
  • 7. Vloerafwerking
  • 8. Dekvloer
  • 9. Eventueel membraan (PE-folie)
  • 10. Eventuele akoestische isolatie
    13. Eventuele injectiezone tegen opstijgend vocht
    14. Thermische isolatie
    15. Betonnen vloerplaat
  • 1. Massieve muur uit baksteen
    7. Vloerafwerking
    8. Dekvloer
    11. Draagvloer met een gewelf
    1
  • 2. Gespoten isolatie
  • 1. Massieve muur uit baksteen
  • 2. Thermische isolatie en haar bevestigingssysteem (zie artikel Buildwise 2013/02.04)
  • 3. Dampscherm
  • 4. Leidingspouw
  • 5. Binnenafwerking
  • 6. Weinig vochtgevoelig isolerend bouwblok
  • 7. Vloerafwerking
  • 8. Dekvloer
    11. Draagvloer met een gewelf

DIAGNOSE
Men dient steeds de voorkeur te geven aan isolatie langs de buitenzijde. Wanneer deze oplossing niet mogelijk is en alvorens men overgaat tot de isolatie van een buitenmuur langs de binnenzijde, dan dient men zich ervan te vergewissen dat deze muur in goede staat verkeert en dat de werkzaamheden geen nefaste invloed zullen hebben op het gebouw. Het is dus noodzakelijk om eerst een diagnose uit te voeren met als doel om:
- na te gaan of de vochttoevoer naar de gevel beperkt blijft (opstijgend grondvocht, infiltraties, inwendige condensatie ...) ;
- na te gaan of de eigenschappen van de gevel en de verschillende gevelelementen geschikt zijn (vorstweerstand van de metselwerkelementen, dampdoorlaatbaarheid van de buitenafwerking, vochtgevoeligheid van de metselwerkelementen ...).

Meer informatie over de diagnose vindt u hier.

ONTWERP
Risico op condensatie
- Wanneer men de vloer langs de onderzijde (12) isoleert, dan is de continuïteit met de isolatie van de buitenmuur (2) niet gewaarborgd. De bouwknoop vormt dan ook een zwakke plek vanuit een hygrothermisch oogpunt.
Om te vermijden dat de verticale isolatie (2) beschadigd zou worden door capillair opstijgend grondvocht of door een eventuele oppervlaktecondensatie, dient men ter hoogte van de muurvoet een weinig vochtgevoelig isolerend bouwblok (6) aan te brengen. In dit geval en indien het binnenklimaat gezond is (goed geventileerd gebouw met beperkte dampproductie), is het risico op condensatie en schimmelvorming voor dit detail te verwaarlozen.
Om inwendigecondensatieproblemen te vermijden, is het noodzakelijk om een dampscherm (3) te plaatsen. Dit dampscherm kan eventueel hygrovariabel zijn (d.w.z. dat het de droging van de muur in de zomer bevordert en de vochtoverdracht naar de muur in de winter beperkt (beperkte relatieve vochtigheid), voor zover het binnenklimaat beheerst wordt). Meer informatie over de keuze van het dampscherm vindt u hier.
- De leidingspouw (4) kan opgevuld worden met een soepel isolatiemateriaal. Zodoende is het mogelijk om de dikte van de isolatie (2) te verminderen. In voorkomend geval moet de warmteweerstand van de in de leidingspouw aangebrachte isolatie minstens 1,5 keer kleiner zijn dan deze van de basisisolatie (2).
- Zonder de bouwknopen aan te pakken, heeft het slechts weinig zin om de isolatiediktes op te drijven teneinde de thermische prestaties te verhogen. Bij isolatie langs de binnenzijde zal een gebouw met een isolatielaag van 6 cm waarin ook de bouwknopen goed aangepakt werden bijvoorbeeld thermisch beter presteren dan wanneer ditzelfde gebouw geïsoleerd zou worden met 20 cm isolatiemateriaal maar er geen aandacht besteed werd aan de bouwknopen (in dit laatste geval kunnen 70 % van de verliezen toegeschreven worden aan de bouwknopen). Het strekt dus tot aanbeveling om de bouwknopen met de nodige aandacht te behandelen om het risico op condensatie te verminderen en te komen tot een goede energieprestatie.
- Voor meer informatie omtrent het risico op condensatie en de thermische prestaties van dit detail kan u terecht in de fiche "Risico op condensatie en thermische prestatie: specifieke berekening" die gedownload kan worden onderaan deze pagina.

Luchtdichtheid
- De ontwerper moet zich ervan vergewissen dat elke wand luchtdicht is (membraan, bepleistering ...). Deze verschillende luchtdichte elementen worden aangegeven op het bovenstaande schema en gecommuniceerd aan de firma die de werkzaamheden uitvoert.
- Indien de luchtdichtheid tot stand gebracht wordt door het dampscherm (3), dan dient men toe te zien op de continuïteit van de luchtdichte barrière door het dampscherm te verbinden met het membraan dat onder de dekvloer gelegen is (8) (zie TV 255).
- Elke luchtcirculatie tussen de isolatie en de muur moet vermeden worden, aangezien dit nadelig is voor de warmteweerstand van het geheel en tot inwendige condensatie kan leiden.
- Er moet een voldoende grote leidingspouw (4) aanwezig zijn voor de doorgang van kabels, leidingen en eventuele contactdozen.

Brandveiligheid
De in de kelder gespoten isolatie moet beantwoorden aan de eisen van de brandreactieklasse die gesteld worden aan plafondbekledingen. Deze laatste zijn opgenomen in bijlage 5/1 van het Koninklijk Besluit tot vaststelling van de basisnormen ter preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen (KB van 7/7/1994 en zijn wijzigingen).
In kleine ruimten, zoals kelders, moet men elke polyurethaanlaag (PU) goed laten afkoelen vooraleer men de volgende laag aanbrengt. Doet men dit niet, dan bestaat er gevaar voor verbranding als gevolg van de polymerisatie van het PU, wat leidt tot een sterke warmteafgifte (zeer exotherme reactie).

Akoestisch comfort
Het isoleren van de muur langs de binnenzijde kan de geluidsisolatie verminderen indien er gebruikgemaakt wordt van een stijf isolatiemateriaal (zie de artikel Buildwise 2018/02.13).
Een akoestische-isolatielaag (10) kan nuttig zijn om de contactgeluidsoverdracht te beperken (zie TV 264, § 2.1.6).

Stabiliteit
Om zich te vergewissen van het vermogen van de gewelven om de belastingen teweeggebracht door het gekozen isolatiesysteem op te nemen, dient men de stabiliteit ervan te laten onderzoeken door een studiebureau. Indien noodzakelijk, zal het studiebureau in eventuele verstevigingen voorzien, bijvoorbeeld door middel van een console ter hoogte van de aansluiting tussen de gewelven en de muur.
Het in de kelder gespoten PU moet in verschillende lagen (maximum 4 cm per laag) aangebracht worden met inachtneming van de uithardingstijd (overeenkomstig de aanwijzingen van de fabrikant) om de hechting van het geheel te waarborgen.

UITVOERING
- De binnenisolatie mag nooit tegen een muur geplaatst worden die vochtig is of vochtig kan worden. Alle vochtgerelateerde problemen moeten opgelost worden vooraleer de isolatie aangebracht wordt. Capillair opstijgend vocht vanuit de grond moet voorkomen worden door maatregelen te nemen aan de muurvoet (bv. injecties, zie TV 252).
- De plaatsing van het dampscherm dient verzorgd te gebeuren. De aansluitingen moeten gewaarborgd zijn en doorboringen van het membraan zijn uit den boze. Indien er toch een doorboring plaatsgrijpt, dan dient men deze op gepaste wijze te behandelen: kleefband, moffen, vloeibare afdichting ... (zie TV 255). De eventuele doorvoering van kabels zou bij voorkeur moeten gebeuren via de leidingspouw (4).
- De gebeurlijke delen van de bepleistering die niet aan de te isoleren muur hechten, moeten verwijderd worden. De muur moet stabiel, in goede staat en proper zijn. Alle oude afwerkingen die op de te isoleren muur aanwezig zijn moeten verwijderd worden, vooral indien ze vochtgevoelig zijn.
- Het binnenisolatiesysteem moet zodanig uitgevoerd worden dat er geen ruimte tussen de muur en de isolatie blijft. Elke luchtcirculatie op deze plaats zou nadelig zijn voor de warmteweerstand van het geheel.
- Het isoleren van de vloer langs de onderzijde (12) mag slechts gebeuren indien deze laatste niet vochtig is en geen problemen vertoont die de hechting van de isolatie in het gedrang zouden kunnen brengen.

FASERING VAN DE WERKEN
Indien eerst de vloer geïsoleerd wordt en de muur in een latere fase langs binnen geïsoleerd wordt:
- vermits er geen isolatie aanwezig is ter hoogte van de muren, bestaat er een risico op condensatie aan de aansluiting tussen de vloer en de buitenmuur. Het gebruik van vochtgevoelige materialen in deze zone is dus uit den boze: geen houten plinten, geen houten vloerafwerkingen, tenzij deze voldoende duurzaam of verduurzaamd zijn (risico op houtrot). Het risico op schimmels is kleiner in goed geventileerde gebouwen met een beperkte dampproductie.

Indien eerst de muur geïsoleerd wordt en de vloer in een latere fase via de kelder geïsoleerd wordt:
- dan is het risico op condensatie ter hoogte van de aansluiting tussen de vloer en de buitenmuur minder groot dan bij de vorige fasering. Toch is het voorzichtigheidshalve aangeraden om, zowel voor het risico op condensatie als voor het risico op capillair opstijgend vocht, in een isolerende muurvoet (6) te voorzien evenals in weinig vochtgevoelige afwerkingsmaterialen aan de muurvoet
- indien de vloerafwerking niet vervangen wordt, dan moet men de vochtgevoelige materialen uit de randzone verwijderen. De houten vloerafwerking mag niet doorlopen onder de binnenisolatie (risico op houtrot). Men dient de voorkeur te geven aan weinig vochtgevoelige materialen.

REFERENTIES

- Isolatie langs de binnenzijde van bestaande muren: diagnose (artikel Buildwise 2012/04.16)
- Isolatie langs de binnenzijde van bestaande muren: systemen en dimensionering (artikel Buildwise 2013/02.04)
- Isolatie langs de binnenzijde van bestaande muren: detaillering (artikel Buildwise 2017/03.12)
- Het bouwdetail: een ware eisenbundel (Buildwise Magazine nr. 45, 2015/1)
- Renofase Praktijkgids Detaillering van binnenisolatie

1424_JPG1_20221013.jpeg
1424_JPG2_20221013.jpeg

Gerelateerde bouwdomeinen:

Ruwbouw en algemene aannemingen

Gerelateerde bouwdetails

Gerelateerde publicaties