Menu

Aansluiting tussen het ETICS en de isolerende plint - Beschermd volume dat zich boven maaiveld bevindt

Terug naar : bouwdetails
Referentienummer:
1400
Publicatiedatum:
01-08-2016
Bouwelementen:
Bron:

TV__257


Afb.47 Aansluiting aan de muurvoet met behulp van een isolerend bouwblok.

1. Dragend metselwerk
2. Vochtscherm
3. Afdichting
4. Noppenfolie
5. Grind (drainage)
6. Plint
7. Vochtbestendige sokkelisolatie (dikte: disol sokkel)
8. Startprofiel uit PVC
9. Zwelband
10. Isolatieplaat (ETICS) (dikte: disol ETICS)
11. Lijm (ETICS)
12. Bepleistering (ETICS)
13. Binnenbepleistering
14. Isolerend bouwblok (dikte: dinsulating part)
15. Afwerking
16. Dekvloer
17. Eventueel membraan
18. Akoestische isolatie
19. Eventuele luchtdichte afdichting
20. Thermische isolatie van de vloer (dikte: disol vloer)
21. Draagvloer (bv. uit gegoten gewapend beton)
22. Ingegraven metselwerk
Afb. 49 Aansluitingen in een niet-ingegraven beschermd volume die uitgevoerd werden zonder tussengevoegde isolerende delen.
A. Op volle grond
B. Op een niet-verwarmd aangrenzend volume (kelder, kruipruimte)

1. Dragend metselwerk
2. Vochtscherm
3. Afdichting
4. Noppenfolie
5. Grind (drainage)
6. Plint
7. Vochtbestendige sokkelisolatie (dikte: disol sokkel)
8. Startprofiel uit PVC
9. Zwelband
10. Isolatieplaat (ETICS) (dikte: disol ETICS)
11. Lijm (ETICS)
12. Bepleistering (ETICS)
13. Binnenbepleistering
14. Isolerend bouwblok (dikte: dinsulating part)
15. Afwerking
16. Dekvloer
17. Eventueel membraan
18. Akoestische isolatie
19. Eventuele luchtdichte afdichting
20. Thermische isolatie van de vloer (dikte: disol vloer)
21. Draagvloer (bv. uit gegoten gewapend beton)
22. Ingegraven metselwerk
23. Drainerend materiaal
24. Collector
25. Filter

TV 257 § 5.1.1 ALGEMENE AANBEVELINGEN

Of het nu over nieuwbouw of over renovatie gaat, de aanzet van het ETICS moet zich minstens 30 cm boven het maaiveld bevinden (zie afbeelding 44):

- boven de vochtwerende bescherming van de muur. Bij renovatie moeten eerst eventuele problemen, zoals bevochtiging van de muur door capillaire opstijging, opgelost worden voordat het systeem geplaatst wordt

- boven de spatzone (opspattend water)

- vanaf een impactzone die toelaatbaar is voor het systeem.

Het is aan te raden om de plaatsing van een isolerende plint (zie § 5.1.2) te voorzien die dienst doet als sokkel. Bovendien is het ook aanbevolen om een zone met steenslag te voorzien rondom het gebouw die minstens 30 cm breed is. Hierdoor kan men het risico op opspattend water tegen de gevel beperken en de afwatering van het oppervlaktewater bevorderen. Ook de nabijheid van plantengroei, evenals de kans op schokken ten gevolge van werkzaamheden in de tuin kunnen hierdoor vermeden worden.

We merken op dat de gevelwerker meestal alleen belast is met de isolatie van de niet-ingegraven muren (ETICS-werkzaamheden, maar soms ook de isolatie en de afwerking van de sokkel).

TV 257 § 5.1.2 ISOLERENDE PLINT (SOKKEL)

De isolerende plint moet opgebouwd zijn uit een schokbestendig materiaal (bv. bekleding uit natuursteen of beton geschikt voor dit gebruik) en uit een vochtbestendige sokkel-isolatie (bv. uit geëxtrudeerd polystyreen (XPS)). Er moet een aangepaste afdichting voorzien worden ter hoogte van de muurvoet.

De isolerende plint kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden door middel van verankerde natuursteenplaten (zie TV 146 in herziening). De natuursteen wordt aan de ondergrond bevestigd doorheen de isolatie met behulp van mechanische bevestigingen.

Wanneer het risico op het loskomen en het vallen van de plint beperkt is (bv. dankzij de aanwezigheid van een opstand in de fundering), kan men overwegen om de plint te verlijmen op de sokkelisolatie met een aangepaste lijm (zie de Buildwise-artikels 2011/4.11 en 2015/4.09).

De afwerking van de sokkelisolatie met een aangepast bepleisteringssysteem (specifiek samengesteld voor deze toepassing) wordt niet uitgesloten, maar is af te raden vanwege de sterke blootstelling van de ondermuur. Indien men voor deze techniek kiest, is het aanbevolen om de scheiding tussen het bepleisteringssysteem van de ondermuur en dat van de gevel aan te duiden, zodat het onderhoud en de eventuele herstellingen op een eenvoudigere en een gelokaliseerde manier uitgevoerd kunnen worden. Kleurschakeringen kan men vermijden door het gebruik van een contrasterende kleur in vergelijking met rest van de gevel.

De isolatie van ondermuren en grondkerende muren moet gecombineerd worden met een mechanische bescherming van de isolatie (bv. tijdens het aanaarden) en een afdichting (bv. bescherming tegen aflopend water en eventueel tegen grondwater, zie TV 250).

Bij de berekening van de warmtedoorgangscoëfficiënt (U-waarde) moet er rekening gehouden worden met de specifieke isolatie van de muurvoet (sokkelisolatie) en met de afwerking van de muurvoet, alsook met de eventuele mechanische bevestigingen. De overgangen tussen deze sokkelisolatie en de verschillende isolatielagen van de verliesoppervlakken moeten geïntegreerd worden als bouwknopen volgens de EPB-regelgeving. In de paragrafen 5.1.3 tot en met 5.1.5 (p. 50 tot 53) worden de specifieke oplossingen beschreven voor de uitvoering van de aansluitingen in functie van de definitie van het beschermde volume.

TV 257 § 5.1.3 AANSLUITING TUSSEN HET ETICS EN DE ISOLERENDE PLINT

De gevelwerker start zijn werkzaamheden na de isolatiewerkzaamheden en de afwerking van de sokkel.

De aansluitingen moeten ontworpen en uitgevoerd worden in overeenstemming met de algemene aanbevelingen (zie § 5.1.1, p. 49) en op een zodanige manier dat de continuïteit van de isolatielagen verzekerd wordt, om te verhinderen dat het water kan infiltreren en stagneren ter hoogte van de verbinding. Het zichtbare vlak van de bepleistering van het ETICS moet ongeveer 2 cm uitspringen ten opzichte van de plint om aflopend regenwater van de gevel weg te leiden en om de verbinding door middel van een startprofiel uit PVC en een zwelband te vergemakkelijken. Het startprofiel zelf moet voorzien zijn van een efficiënte druiplijst (zie afbeelding 47, p. 52).

De overgang tussen de sokkelisolatie en de isolatie van het ETICS van de buitenmuur moet eveneens geïntegreerd worden als een bouwknoop volgens de EPB-regelgeving. De continuïteit van de isolatielagen wordt doorgaans verzekerd door het contact tussen de sokkelisolatie en de isolatie van het ETICS. De knoop is conform wanneer deze twee isolatiematerialen met elkaar in contact staan over een lengte die groter is dan of gelijk aan de helft van de dikte van de sokkel-isolatie (zonder rekening te houden met het startprofiel uit PVC; zie § 3.6, p. 37).

Wanneer er geen sokkel aanwezig is onder het ETICS (bv. als het niveau 0 geen deel uitmaakt van het beschermde volume), kan men ofwel starten met het ETICS door middel van een startprofiel met een volle kern dat bevestigd is aan de ondergrond, ofwel kan men de onderzijde van het isolatiemateriaal van het ETICS afwerken met een bepleistering.

TV 257 § 5.1.4 BESCHERMD VOLUME DAT ZICH BOVEN MAAIVELD BEVINDT

Wanneer het volume dat zich onder het maaiveld bevindt, geen deel uitmaakt van het beschermde volume (de geïsoleerde vloer maakt deel uit van het warmteverliesoppervlak), moet de overgang tussen de sokkelisolatie en de vloerisolatie geïntegreerd worden als bouwknoop volgens de EPB-regelgeving.

De continuïteit van de isolatielagen kan verkregen worden:

- door het gebruik van tussengevoegde isolerende delen (zie § 5.1.4.1)

- of door het vrijwaren van een weg van de minste warmteweerstand met een minimale lengte van 1 m (zie § 5.1.4.2).

TV 257 § 5.1.4.1 Aansluiting met behulp van tussengevoegde isolerende delen

Men kan de continuïteit van de isolatielagen verzekeren:

- door een isolerende muur (bv. uit isolerend metselwerk) met een warmtegeleidbaarheid die kleiner dan of gelijk is aan 0,2 W/m.K. In dit geval wordt de isolerende muur ingewerkt in de isolatielaag en de bouwknoop is conform als deze voldoet aan basisregel nr. 1 (contact tussen de muur en de vloerisolatie groter dan of gelijk aan de helft van de dikte van de vloerisolatie)

- met behulp van tussengevoegde isolerende delen (thermische isolerende bouwblokken) (basisregel nr. 2). Bovendien moeten deze elementen gelijktijdig voldoen aan drie voorwaarden, terwijl de dragende eigenschappen van de muur behouden blijven (zie afbeelding 48, p. 52).

In het tweede geval is de bouwknoop conform (zie Bijlage B, p. 123) wanneer het tussengevoegde isolerende deel (bouwblokken):

- een warmtegeleidbaarheid heeft die kleiner dan of gelijk is aan 0,2 W/m.K. De benodigde dikte is niet alleen afhankelijk van deze warmtegeleidbaarheid, maar ook van de warmteweerstand van de sokkelisolatie en van de vloerisolatie, behalve bij hogere isolatieniveaus, zijnde warmteweerstanden groter dan 4 m².K/W

- het directe contact met de vloerisolatie enerzijds, en met de sokkelisolatie anderzijds verzekerd wordt, en dit over minimaal de helft van de dikte van de dunste laag hetzij van de betrokken isolatie, hetzij van het bouwblok (de reglementering laat toe om geen rekening te houden met eventuele afdichtingsmembranen doorheen de isolatielagen).

De gevelwerker die belast is met de sokkelisolatie (die ook meestal samenvalt met het weinig ingegraven deel van de isolatie) zal pas tussenkomen na de uitvoering van de afdichtingswerken van de muur, maar wel vóór het aanaarden van het te isoleren vlak. De voorgeschreven niveaus (bovenaan en onderaan) moeten gecontroleerd worden. Vooral de sokkelisolatie moet de isolerende muur (eerste geval) of het thermisch (tweede geval) bedekken om de continuïteit van de isolatielagen te waarborgen.

We merken op dat in het geval van een vloerplaat op volle grond, de drainage zich ongeveer op het niveau van de onderzijde van de betonplaat kan bevinden. In dit geval is het niet vereist om de afdichting van de buitenzijde van de muur en van de spouwdrainering onder dit niveau door te trekken. Het is evenwel noodzakelijk om een polyethyleen-folie aan te brengen onder de betonnen vloerplaat om te vermijden dan deze uitdroogt.

TV 257 § 5.1.4.2 Aansluiting zonder tussengevoegd isolerend deel

Een alternatieve oplossing om de continuïteit van de isolatielagen te verzekeren, is het vrijwaren van een weg van de minste warmteweerstand met een minimale lengte van 1 m (basisregel nr. 3) tussen het beschermde volume en de buitenlucht enerzijds, en het beschermde volume en de ruimte onder de vloer anderzijds, als het gaat om een niet-verwarmde aangrenzende ruimte (zie Bijlage B, p. 123). In het laatste geval moeten ook de onderzijde van de vloer en de binnenzijde van de ingegraven muur, ten minste gedeeltelijk, geïsoleerd worden (zie afbeelding 49, p. 52).

De gevelwerker die belast is met de sokkelisolatie (die ook meestal samenvalt met het weinig ingegraven deel van de isolatie) zal pas tussenkomen na de uitvoering van de afdichtingswerken van de muur, maar wel vóór het aanaarden van het te isoleren vlak. De voorgeschreven niveaus (bovenaan en onderaan) moeten gecontroleerd worden. Vooral de door de sokkelisolatie bereikte diepte moet het toelaten om de minimale lengte van de weg van de minste warmteweerstand ( > 1 m) te vrijwaren.



Gerelateerde publicaties