Plat dak - helling tussen 2 en 5% (plastomere afdichting): geïsoleerde dakopstand afgewerkt met dakrandprofiel

Terug naar : bouwdetails
Referentienummer:
1077
Publicatiedatum:
Bouwelementen:
Bron:

TV__244__Fiche 079-3-0


1. Dragend metselwerk
2. Gevelmetselwerk
3. Spouwisolatie door gedeeltelijke vulling (waarvan de dikte afgestemd dient te worden op de geldende thermische regelgeving)
4. Dakvloer
5. Opstand uit metselwerk
6. Hellingslaag
7. Dampscherm (zie TV 215, hoofdstuk 6)
8. Thermische isolatie (waarvan de dikte afgestemd dient te worden op de geldende thermische regelgeving)
9. In de dakopstand bevestigde houten kepers
10. Thermische isolatie van de dakopstand
11. Tussenafstand ter bevestiging van de spouwafdekking (± 330 mm)
12. Dakafdichting
13. Spouwafdekking
14. Luchtdichtheidsband bij een niet-verkleefde opstand
15. Dakrandprofiel
16. Afdichtingsmembraan
17. Metaalfolieplaat
18. Kit
19. Overlapverbinding, voor eventuele kimfixatie (zie TV 244, § 5.4.3)
20. Binnenbepleistering (luchtdichtheid)
Deze fiche gaat dieper in op de uitvoering van een dakdetail van een plat dak waarvan de afdichting tot stand gebracht wordt met behulp van een plastomeer membraan. Wist je dat er een gelijkaardige fiche bestaat voor bitumineuze en elastomere afwerkingen?

De noodzaak van een kimfixatie bij plastomere afdichtingen is afhankelijk van de plaatsingswijze van de afdichting, van de afwerking van de dakopstanden en van het feit of de afdichting al dan niet gewapend is. Dit wordt uitgebreid behandeld in TV 244, hoofdstuk 5 "Opstanden".
Voor bepaalde soorten plastomeren is er een scheidingslaag vereist tussen de afdichting en een niet-gecacheerde EPS- of PUR-dakisolatie teneinde een migratie van weekmakers uit de dakafdichting te vermijden (zie technische specificaties van de fabrikant).
Indien er een scheidingslaag voorzien wordt tussen de eventuele ballastlaag en de dakafdichting, moet men bij bepaalde plastomeersoorten (monomeer PVC) opteren voor een gesloten scheidingslaag.
Men mag in geen geval een polyesterdoek gebruiken omdat dit de micro-organismen uit de ballastlaag vasthoudt en het gevaar voor de emigratie van weekmakers van de dakafdichting dus zal vergroten in plaats van verkleinen.

De spouwafdekking wordt doorgetrokken tot over de kopse kant van de thermische isolatie tegen de dakopstand om de afdichting op die plaats te versterken.
Wanneer de opstand van de dakafdichting niet volvlakkig verkleefd wordt, is een winddichte afwerking van het dakrandprofiel noodzakelijk.

Voor dakrandprofielen maakt men in de meeste gevallen gebruik van geprofileerde metaalfolieplaten (vaak geleverd door de fabrikant van de kunststof afdichting) die in de werkplaats tot het gewenste profiel geplooid worden.
De aansluiting tussen de dakafdichting en het profiel gebeurt op dezelfde wijze als de naadverbinding tussen de dichtingsbanen. Bij het gebruik van de 'traditionele' dakrandprofielen, zal er in dit profiel een metaalfolieplaat bevestigd worden waarop vervolgens een plastomere randstrook gelast wordt.
Men kan hiervoor ook samengestelde dakrandprofielen gebruiken (klemprofielen, zie TV 244, § 6.4.2).
Voor meer informatie omtrent de plaatsing van de dakrandprofielen verwijzen we naar TV 244, § 6.4.1.2.

Afdichtingen die onderaan voorzien zijn van een polyesterdoekcachering kunnen niet rechtstreeks op de metaalfolieplaten gelast worden en moeten als volgt aangesloten worden:


Gerelateerde publicaties