Menu

Afdichting van doorvoeringen van kabelgoten in brandwerende lichte scheidingswanden met brandwerende manchetten op rol

Terug naar : bouwdetails
Referentienummer:
1235
Publicatiedatum:
Bouwelementen:
Bron:

TV__293__Fiche 6.4


Afb. 1: Afdichting van een doorvoering van een kabelgoot in een brandwerende lichte scheidingswand met een brandwerende manchet op rol

Legende

1. Lichte scheidingswand
2. Kabelgoot
3. Uitsparing en speling rond de kabelgoot
4. Afdichting rond de kabelgoot
5. Manchet op rol
6. Ophangconstructie van de kabelgoot
Manchetten op rol kunnen gebruikt worden voor het afdichten van kabels en kabelbundels maar meestal zal men deze toepassen voor het brandwerend afdichten van kabelgoten.

1. Lichte scheidingswand

De lichte scheidingswand moet ofwel in overeenstemming zijn met een gestandaardiseerde lichte scheidingswand, ofwel met een gelijkaardige lichte scheidingswand. Ook andere lichte scheidingswanden zijn toegestaan, mits toelating in de voorschriften van de fabrikant* van de brandwerende voorziening die in de scheidingswand geplaatst moet worden.

Bij een doorvoering in een lichte houtskeletwand mag geen enkel deel van de uitsparing zich op minder dan 100 mm van een houten stijl of stuk van een houten regel bevinden. De holte tussen de uitsparing en de stijl (of het stuk van de regel) moet afgedicht zijn met ten minste 100 mm isolatie van klasse A1 of A2 volgens de Europese norm NBN EN 13501-1.

2. Kabel, kabelbundel of kabelgoot

De eigenschappen van de kabel, kabelbundel of kabelgoot moeten in overeenstemming zijn met de voorschriften van de fabrikant*. Daarin moet de volgende informatie opgenomen zijn:
- het kabeltype, eventueel in elektro-installatiebuis
- de maximaal toegelaten diameter (buitendiameter, diameter van de geleider). Voor kabelbundels wordt het maximale aantal kabels en de maximale diameter van de kabels aangegeven
- de afmetingen (b x l x h) en de dikte van de kabelgoot (bv. 60 x 500 x 60 – 1,5 mm).

Doorgaans loopt de kabel, kabelbundel of kabelgoot loodrecht doorheen de wand. Een schuine doorvoering is alleen mogelijk als dit is toegestaan in de voorschriften van de fabrikant*, onder voorbehoud van eventuele aanpassingen aan de brandwerende voorziening (ligging, afmetingen ...).

3. Uitsparing en speling

Het verschil tussen de diameter van de uitsparing en de diameter van de kabel, kabelbundel of kabelgoot moet vermeld worden in de voorschriften van de fabrikant*:
- de afmetingen van de uitsparing in de lichte scheidingswand moeten kleiner dan of gelijk aan de afmetingen van de geteste uitsparing in de lichte scheidingswand zijn
- de afstand tussen de kabel, kabelbundel of kabelgoot en de randen van de uitsparing moet groter dan of gelijk aan de geteste afstand zijn om een correcte en voldoende opvulling te kunnen uitvoeren.

Voor meer informatie hieromtrent dient men de voorschriften van de fabrikant* te raadplegen.

4. Afdichting

Een afdichting is niet altijd vereist. In voorkomend geval wordt de afdichting van de ruimte tussen de kabel, kabelbundel of kabelgoot en de uitsparing in de wand gerealiseerd volgens de voorschriften van de fabrikant* (opstoppen met rotswol, afdichten met schuim …).

5. Brandwerende manchetten op rol

Plaatsing

Een manchet op rol moet aan de rechtstreeks verhitte zijde(n) van de lichte scheidingswand geplaatst worden. Tenzij het tegendeel bewezen werd, wordt er uitgegaan van de veronderstelling dat de brand kan aangrijpen aan elke zijde van de wand. In principe zou er dus aan beide zijden van de wand een brandwerende manchet op rol voorzien moeten worden. Indien er slechts één enkele manchet geplaatst wordt aan de niet rechtstreeks verhitte zijde van de muur, zal deze minder snel opwarmen dan die van de kabel, kabelbundel of kabelgoot aan de vuurzijde. Hierdoor zou deze laatste kunnen beginnen smelten voordat de manchet in werking treedt, zodat er een opening ontstaat waarlangs een eventuele branddoorslag kan optreden. Indien één manchet voldoende zou zijn, moet dit door de voorschriften van de fabrikant* bevestigd worden. Vandaar dat er een eerste proef uitgevoerd wordt waarbij de manchet zich aan de vuurzijde bevindt en een tweede proef waarbij de manchet geïnstalleerd wordt aan de zijde die niet rechtstreeks blootgesteld wordt aan de brand.

De brandwerende manchet wordt rond de kabel, kabelbundel of kabelgoot aangebracht en moet goed aansluiten op de buitendiameter van de kabel of kabelbundel, of op de buitenafmetingen van de kabelgoot (voor de exacte speling verwijzen we naar de voorschriften van de fabrikant*). Bij een kabelgoot wordt de speling tussen de manchet op rol en de kabels soms opgevuld met rotswol of wordt er bijkomend een afdichtingsplaat (uit rotswol) voorzien.

Tenzij anders bepaald in de voorschriften van de fabrikant*, worden brandwerende manchetten niet afgewerkt met een cement- of pleisterlaag.

Bevestiging

Tijdens een brand moet de manchet op rol op zijn plaats blijven (d.w.z. tegen de scheidingswand).

De bevestigingsmiddelen die gebruikt worden voor de montage van de manchetten moeten in overeenstemming zijn met de voorschriften van de fabrikant*. Dit impliceert gewoonlijk dat ze bestand moeten zijn tegen hoge temperaturen en dat ze bij brand niet mogen smelten. Daarom bestaan ze bij voorkeur uit staal (bv. schroeven, doorgaande draadstangen …). Ook kunststof pluggen kunnen toegelaten worden voor zover de voorschriften van de fabrikant* dit toelaten.

6. Ophangconstructie van de kabel, kabelbundel of kabelgoot

De kabel, kabelbundel of kabelgoot dient ondersteund en bevestigd te worden volgens de regels van goed vakmanschap. De ophangingen moeten zo dicht mogelijk bij de wand liggen (in principe op een maximale afstand van 500 mm – zie de voorschriften van de fabrikant*).

* Opgesteld op basis van het classificatierapport.


Gerelateerde publicaties