Menu

Aansluiting tussen een ETICS en een kader zonder thermische onderbreking geplaatst gelijkliggend met de muur

Terug naar : bouwdetails
Referentienummer:
1404
Publicatiedatum:
01-08-2016
Bouwelementen:
Bron:

TV__257


Afb. 61 Aansluiting tussen een ETICS en een kader zonder thermische onderbreking geplaatst gelijkliggend met de muur.
A. Horizontale doorsnede

1. Isolatieplaat (ETICS)
(dikte: disol ETICS)
2. Bepleistering (ETICS)
3. Zwelband
4. Dikte van het vaste kader (dvaste kader)
5. Diepte van de neg (= 4 cm)
6. Lengte van de neg (= 2 cm)
7. Zijdelingse opstand
8. Hoekprofiel
9. Vensterdorpel
10. Stopprofiel (optioneel)
11. Soepele voeg
12. Lijm (ETICS)
13. Stelkader
14. PU-schuim
15. Opstand aan de achterkant (hiel)
16. Isolerend bouwblok
(dikte: dinsulating part)
Afb. 61 Aansluiting tussen een ETICS en een kader zonder thermische onderbreking geplaatst gelijkliggend met de muur.
B. Verticale doorsnede

1. Isolatieplaat (ETICS)
(dikte: disol ETICS)
2. Bepleistering (ETICS)
3. Zwelband
4. Dikte van het vaste kader (dvaste kader)
5. Diepte van de neg (= 4 cm)
6. Lengte van de neg (= 2 cm)
7. Zijdelingse opstand
8. Hoekprofiel
9. Vensterdorpel
10. Stopprofiel (optioneel)
11. Soepele voeg
12. Lijm (ETICS)
13. Stelkader
14. PU-schuim
15. Opstand aan de achterkant (hiel)
16. Isolerend bouwblok
(dikte: dinsulating part)
Afb. 60 Aansluiting tussen ETICS en een kader geplaatst op een thermisch isolerend bouwblok (weinig lawaaierige omgeving).

1. Isolatieplaat (ETICS)
(dikte: disol ETICS)
2. Bepleistering (ETICS)
3. Zwelband
4. Dikte van het vaste kader (dvaste kader)
5. Diepte van de neg (= 4 cm)
6. Lengte van de neg (= 2 cm)
7. Zijdelingse opstand
8. Hoekprofiel
9. Vensterdorpel
10. Stopprofiel (optioneel)
11. Soepele voeg
12. Lijm (ETICS)
13. Stelkader
14. PU-schuim
15. Opstand aan de achterkant (hiel)
16. Isolerend bouwblok
(dikte: dinsulating part)

TV 257 § 5.2.1 ALGEMENE AANBEVELINGEN

De aansluitingen met deuren en ramen moeten niet alleen voldoen aan de waterdichtheid- en duurzaamheidseisen, maar tevens aan de thermische en akoestische eisen. De algemene aanbevelingen die in de volgende paragrafen uiteengezet worden, dienen hiervoor nageleefd te worden.

Het plaatsen van raamkaders zonder neg en dus gelijkliggend met de bepleistering (zonder bepleisterde dagkant) is mogelijk (zie afbeelding 52) maar wordt afgeraden, aangezien deze plaatsingsmethode het risico op scheurvorming in de hoeken en op waterinfiltraties vergroot.

Het is aan te raden om de ramen in een neg te plaatsen (zie afbeelding 51). Bij een dergelijke opbouw zal de isolatie van het ETICS een deel van het raamkozijn bedekken (en een neg vormen). Het vaste deel van het raamkader kan op diverse manieren gepositioneerd worden, hetzij gelijkliggend met de buitenzijde van de dragende muur (voorlopig de meest gebruikte oplossing, zie afbeeldingen 53B en 54, p. 55), hetzij excentrisch (in opbouw, zie afbeeldingen 53A en 55, p. 55) ten opzichte van de uitlijning van de isolatielaag van de gevel. Deze laatste oplossing is thermisch gezien voordelig (zie § 5.2.3, p. 57). De plaatsing verzonken in de muur (zie afbeelding 53C, p. 55) is mogelijk, maar wordt eerder gebruikt in renovaties en verloopt meestal volgens de uitvoeringsbepalingen voor raamkaders die geplaatst worden gelijkliggend met de muur (zie § 5.2.3, p. 57).

De lengte (raamkader wordt bedekt door de isolatie van het ETICS) en de diepte (afmetingen van de dagkant van de bepleistering) van de neg moeten altijd voldoende groot zijn om de plaatsing van het toebehoren van het ETICS toe te laten, respectievelijk minimaal 2 cm (zwelband) en minimaal 4 cm (hoekprofiel van de bepleistering). Bij de plaatsing van het schrijnwerk gelijkliggend met de muur, moet de neg een minimale breedte hebben die overeenkomt met de contactlengte (dcontact), om ervoor te zorgen dat de bouwknoop EPB-conform is. Deze contactlengte is afhankelijk van de dikte van het vaste deel van het raamkader en is onderworpen aan specifieke eisen (zie § 5.2.3, p. 57 en 5.2.4, p. 60).

Wanneer er, in functie van de blootstelling van het gebouw (zie TV nr. 188 [W8] in herziening), voorgeschreven wordt om de aansluiting tussen het schrijnwerk en de ruwbouw uit te voeren met behulp van een bijkomende afdichting zodat er een luchtscherm gevormd wordt (zie afbeelding 56, p. 56), kan de plaatsing van het ETICS door verlijming ongeschikt zijn naargelang van de aard van het materiaal en van de lengte van de bedekte muur. Bij twijfel moeten er mechanische bevestigingen voorzien worden in de betrokken zone, tenzij men beschikt over een lijm die aangepast is aan de afdichting en/of als de lengte van de zone beperkt is (maximaal 15 cm).

Als het gebouw een hoog luchtdichtheidsniveau heeft dankzij het nemen van gepaste maatregelen voor de aansluiting tussen de binnenbepleistering en het raamkader, is een bijkomende afdichting niet vereist, behalve in speciale gevallen (bv. openingen in de nabijheid van de hoeken van het gebouw in combinatie met een niet-luchtdichte muur).

Men kan een (waterdichte) aansluiting tussen het ETICS en het schrijnwerk realiseren enerzijds door een zwelband (die voldoende samengedrukt wordt) aan te brengen tussen de isolatie en het schrijnwerk, en anderzijds door ofwel een stopprofiel in combinatie met een soepele voeg te voorzien, ofwel enkel een soepele voeg tussen de bepleistering en het schrijnwerk. In alle gevallen is een goed onderhoud van de soepele voeg van essentieel belang.

Een alternatieve methode bestaat uit het aanbrengen van de bepleistering rechtstreeks in de neg van het schrijnwerk (door middel van een V-snede aan de aansluiting). Deze methode is alleen voorbehouden voor openingen met kleine afmetingen en voor dunne bepleisteringen die over de gepaste elastische eigenschappen beschikken. De aanbevelingen van de fabrikant hieromtrent moeten dan ook opgevolgd worden. Bij deze oplossing blijft het evenwel noodzakelijk om een zwelband aan te brengen tussen de isolatie en het schrijnwerk.

Bij renovaties kan de keuze om een bestaand raam al dan niet te vervangen of te verplaatsen, een invloed hebben op het ontwerp van de detailleringen. Er moet steeds een voldoende dik raamkader voorzien worden om een correcte plaatsing van het ETICS en de uitvoering van een geïsoleerde neg toe te laten.

Bij gebruik van dikke isolatiematerialen, kan er een aanzienlijke schaduwwerking optreden. Dit effect kan verholpen worden door de isolatie in een hoek van 45° te versnijden, voor zover dit esthetisch verantwoord is. De positionering van het raam kan tevens bijdragen aan deze schaduwwerking.

We willen er ten slotte op wijzen dat in functie van de voorziene constructieve schikkingen, de aansluitingen tussen de muur en de ramen de akoestische prestaties kunnen verzwakken, vanwege de akoestische lekken die ze veroorzaken. Bepaalde soorten aansluitingen kunnen nadelig zijn of zelfs afgeraden worden in een luidruchtige omgeving wanneer er akoestische vereisten opgelegd worden (zie § 3.5, p. 37).

TV 257 § 5.2.3 AANBEVELINGEN IN FUNCTIE VAN DE POSITIE VAN HET KADER

De overgang tussen de buitenmuur (isolatie van het ETICS) en de kaders (vast deel van ramen en deuren) moet geïntegreerd worden als bouwknoop volgens de EPB-regelgeving.

De excentrische plaatsing (in opbouw) geniet, volgens ons, de voorkeur voor de kaders met een thermische onderbreking in een matige tot zeer lawaaierige omgeving (zie ‘Akoestische lekken’ in § 3.5, p. 37). Bovendien verzekert deze plaatsingswijze de continuïteit van de isolatielagen ter hoogte van de bouwknopen, dankzij het contact tussen de thermische onderbreking en de isolatie van het ETICS (zie § 5.2.3.1, p. 58).

Voor kaders zonder thermische onderbreking wordt de continuïteit van de isolatielagen ter hoogte van de bouwknopen doorgaans gerealiseerd door het verzekeren van een minimale contactlengte tussen de isolatielaag van het ETICS en het vaste deel van het kader (basisregel nr. 1). De bouwknoop is conform wanneer de contactlengte groter dan of gelijk is aan de helft van de dikte van het vaste deel. Deze regel is van toepassing ongeacht de positie van het kader ten opzichte van de muur (zie § 5.2.3.1, p. 58 en § 5.2.3.2, p. 59).

Voor dikke kaders is de contactlengte die noodzakelijk is om te voldoen aan deze voorwaarde evenwel relatief groot, en zelfs onrealistisch als de kaders gelijkliggend met of verzonken in de muur geplaatst worden (zie § 5.2.3.2, p. 59).

De excentrische plaatsing is dus altijd voordeliger vanuit thermisch oogpunt.

TV 257 § 5.2.3.2 KADERS: PLAATSING IN HET VLAK VAN DE MUUR

Voor kaders met een thermische onderbreking, is het noodzakelijk om een tussengevoegde isolatie te gebruiken die de thermische onderbreking overbrugt om EPB-conform te zijn (zie Bijlage B, p. 123). Deze oplossing kan evenwel uitsluitend overwogen worden in een weinig lawaaierige omgeving omwille van de geluidslekken die ze veroorzaakt. Ze is af te raden in een matig tot zeer lawaaierige omgeving (omgevingsgeluid, zie § 3.5, p. 37). Het is niet uitgesloten dat er alternatieve oplossingen bestaan, maar deze zijn nog niet voldoende beproefd volgens de huidige kennis van zaken.

Wanneer kaders zonder thermische onderbreking in het vlak van de muur geplaatst worden (hetzij gelijkliggend met, hetzij verzonken in de muur), kan men de akoestische lekken verminderen door de afstand tussen het kader en de dagkant van de muur te beperken tot 1,5 cm en deze op te vullen met een opzwelbaar schuim (zie afbeelding 61).



Gerelateerde publicaties