Menu

Aansluiting tussen het ETICS en de isolerende plint - Beschermd volume dat zich deels onder het maaiveld bevindt

Terug naar : bouwdetails

Afb.50 Aansluiting in een bescherm volume dat deels ingegraven is

1. Dragend metselwerk
2. Vochtscherm
3. Afdichting
4. Noppenfolie
5. Grind (drainage)
6. Plint
7. Vochtbestendige sokkelisolatie (dikte: disol sokkel)
8. Startprofiel uit PVC
9. Zwelband
10. Isolatieplaat (ETICS) (dikte: disol ETICS)
11. Lijm (ETICS)
12. Bepleistering (ETICS)
13. Binnenbepleistering
14. Isolerend bouwblok (dikte: dinsulating part)
15. Afwerking
16. Dekvloer
17. Eventueel membraan
18. Akoestische isolatie
19. Eventuele luchtdichte afdichting
20. Thermische isolatie van de vloer (dikte: disol vloer)
21. Draagvloer (bv. uit gegoten gewapend beton)
22. Ingegraven metselwerk
23. Drainerend materiaal
24. Collector
25. Filter
26. Isolatie van de ingegraven muur (dikte: disol ingegraven muur)

TV 257 § 5.1.1 ALGEMENE AANBEVELINGEN

Of het nu over nieuwbouw of over renovatie gaat, de aanzet van het ETICS moet zich minstens 30 cm boven het maaiveld bevinden (zie afbeelding 44):

- boven de vochtwerende bescherming van de muur. Bij renovatie moeten eerst eventuele problemen, zoals bevochtiging van de muur door capillaire opstijging, opgelost worden voordat het systeem geplaatst wordt

- boven de spatzone (opspattend water)

- vanaf een impactzone die toelaatbaar is voor het systeem.

Het is aan te raden om de plaatsing van een isolerende plint (zie § 5.1.2) te voorzien die dienst doet als sokkel. Bovendien is het ook aanbevolen om een zone met steenslag te voorzien rondom het gebouw die minstens 30 cm breed is. Hierdoor kan men het risico op opspattend water tegen de gevel beperken en de afwatering van het oppervlaktewater bevorderen. Ook de nabijheid van plantengroei, evenals de kans op schokken ten gevolge van werkzaamheden in de tuin kunnen hierdoor vermeden worden.

We merken op dat de gevelwerker meestal alleen belast is met de isolatie van de niet-ingegraven muren (ETICS-werkzaamheden, maar soms ook de isolatie en de afwerking van de sokkel).

TV 257 § 5.1.2 ISOLERENDE PLINT (SOKKEL)

De isolerende plint moet opgebouwd zijn uit een schokbestendig materiaal (bv. bekleding uit natuursteen of beton geschikt voor dit gebruik) en uit een vochtbestendige sokkel-isolatie (bv. uit geëxtrudeerd polystyreen (XPS)). Er moet een aangepaste afdichting voorzien worden ter hoogte van de muurvoet.

De isolerende plint kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden door middel van verankerde natuursteenplaten (zie TV 146 [W5] in herziening). De natuursteen wordt aan de ondergrond bevestigd doorheen de isolatie met behulp van mechanische bevestigingen.

Wanneer het risico op het loskomen en het vallen van de plint beperkt is (bv. dankzij de aanwezigheid van een opstand in de fundering), kan men overwegen om de plint te verlijmen op de sokkelisolatie met een aangepaste lijm (zie de Buildwise-artikels 2011/4.11 en 2015/4.09).

De afwerking van de sokkelisolatie met een aangepast bepleisteringssysteem (specifiek samengesteld voor deze toepassing) wordt niet uitgesloten, maar is af te raden vanwege de sterke blootstelling van de ondermuur. Indien men voor deze techniek kiest, is het aanbevolen om de scheiding tussen het bepleisteringssysteem van de ondermuur en dat van de gevel aan te duiden, zodat het onderhoud en de eventuele herstellingen op een eenvoudigere en een gelokaliseerde manier uitgevoerd kunnen worden. Kleurschakeringen kan men vermijden door het gebruik van een contrasterende kleur in vergelijking met rest van de gevel.

De isolatie van ondermuren en grondkerende muren moet gecombineerd worden met een mechanische bescherming van de isolatie (bv. tijdens het aanaarden) en een afdichting (bv. bescherming tegen aflopend water en eventueel tegen grondwater, zie TV 250 [W16]).

Bij de berekening van de warmtedoorgangscoëfficiënt (U-waarde) moet er rekening gehouden worden met de specifieke isolatie van de muurvoet (sokkelisolatie) en met de afwerking van de muurvoet, alsook met de eventuele mechanische bevestigingen. De overgangen tussen deze sokkelisolatie en de verschillende isolatielagen van de verliesoppervlakken moeten geïntegreerd worden als bouwknopen volgens de EPB-regelgeving. In de paragrafen 5.1.3 tot en met 5.1.5 (p. 50 tot 53) worden de specifieke oplossingen beschreven voor de uitvoering van de aansluitingen in functie van de definitie van het beschermde volume.

TV 257 § 5.1.3 AANSLUITING TUSSEN HET ETICS EN DE ISOLERENDE PLINT

De gevelwerker start zijn werkzaamheden na de isolatiewerkzaamheden en de afwerking van de sokkel.

De aansluitingen moeten ontworpen en uitgevoerd worden in overeenstemming met de algemene aanbevelingen (zie § 5.1.1, p. 49) en op een zodanige manier dat de continuïteit van de isolatielagen verzekerd wordt, om te verhinderen dat het water kan infiltreren en stagneren ter hoogte van de verbinding. Het zichtbare vlak van de bepleistering van het ETICS moet ongeveer 2 cm uitspringen ten opzichte van de plint om aflopend regenwater van de gevel weg te leiden en om de verbinding door middel van een startprofiel uit PVC en een zwelband te vergemakkelijken. Het startprofiel zelf moet voorzien zijn van een efficiënte druiplijst (zie afbeelding 47, p. 52).

De overgang tussen de sokkelisolatie en de isolatie van het ETICS van de buitenmuur moet eveneens geïntegreerd worden als een bouwknoop volgens de EPB-regelgeving. De continuïteit van de isolatielagen wordt doorgaans verzekerd door het contact tussen de sokkelisolatie en de isolatie van het ETICS. De knoop is conform wanneer deze twee isolatiematerialen met elkaar in contact staan over een lengte die groter is dan of gelijk aan de helft van de dikte van de sokkel-isolatie (zonder rekening te houden met het startprofiel uit PVC; zie § 3.6, p. 37).

Wanneer er geen sokkel aanwezig is onder het ETICS (bv. als het niveau 0 geen deel uitmaakt van het beschermde volume), kan men ofwel starten met het ETICS door middel van een startprofiel met een volle kern dat bevestigd is aan de ondergrond, ofwel kan men de onderzijde van het isolatiemateriaal van het ETICS afwerken met een bepleistering.

TV 257 § 5.1.5 BESCHERMD VOLUME DAT ZICH DEELS ONDER HET MAAIVELD BEVINDT

Wanneer de vloer niet tot het warmteverliesoppervlak behoort (geen overgang tussen de gevelisolatie en de vloerisolatie, zoals bij ingerichte kelders binnen het beschermde volume), moet de overgang tussen de sokkelisolatie en de isolatie van de ingegraven muur geïntegreerd worden als bouwknoop volgens de EPB-regelgeving.

De continuïteit van de isolatielagen ter hoogte van de bouwknopen wordt meestal bekomen door het verzekeren van de minimale contactlengte tussen de isolatielagen (basisregel nr. 1), die eventueel van elkaar gescheiden worden door een afdichtingsmembraan (deze scheiding is geen bouwknoop volgens de EPB-regelgeving, zie afbeelding 50).

De bouwknoop is conform (zie Bijlage B, p. 123) wanneer er een rechtstreeks contact is tussen de sokkelisolatie en de isolatie van de ingegraven muur, en dit over minimaal de helft van de dunste isolatielaag hetzij van de isolatie van de ingegraven muur, hetzij van de sokkelisolatie.

De gevelwerker is niet belast met de isolatie van het ingegraven metselwerk, maar enkel met de sokkelisolatie (die ook meestal samenvalt met het weinig ingegraven gedeelte van de isolatie). Hij zal pas tussenkomen na de uitvoering van de afdichtings- en isolatiewerken aan de muur, maar wel vóór het aanaarden van het te isoleren vlak. De voorgeschreven niveaus (bovenaan en onderaan) moeten gecontroleerd worden.

Indien de betonnen funderingsplaat zich onder de grondwaterspiegel bevindt, moet men aan onderzijde van deze plaat een afdichting voorzien (zodat de afdichting tegen het beton aangedrukt wordt door de druk van het water).



Gerelateerde publicaties