Vóór het navoegen van het metselwerk moeten de voegen zorgvuldig tot een gelijkmatige diepte uitgekrabd worden. Hierbij gelden de volgende richtlijnen:
- de uitkrabdiepte moet gelijk zijn aan 1 tot 1,5 keer de voegbreedte, met een minimum van 10 mm
- de voegen mogen niet te diep uitgekrabd worden: dit zou de goede verdichting van de voegmortel immers bemoeilijken
- de voegen mogen niet te ondiep uitgekrabd worden: dit zou het risico op het loskomen of verbranden van de voegmortel immers verhogen
- bij speciale voegtypes (zoals schaduwvoegen of verdiepte voegen) moet er vooraf een aangepaste diepte gespecificeerd worden
- bij smalle metselstenen (bv. 6,5 cm breed) moet de maximale uitkrabdiepte beperkt worden tot 10 mm om stabiliteitsproblemen te vermijden.
Meer informatie vind je in onze publicaties:
- Technische Voorlichting 297: Opvoegen van metselwerk
Opvoegen van metselwerk in nieuw- en vernieuwbouw.
- Technische Voorlichting 271: Uitvoering van metselwerk
Deze Technische Voorlichting is gewijd aan de uitvoering van dragend en niet-dragend metselwerk, met inbegrip van spouwmuren.
Onderaan deze pagina vind je veelgestelde vragen terug. Ontdek ook onze vakgebiedpagina over pleisterwerken.