
Wat zijn de wettelijke eisen voor thermisch comfort?
Het Koninklijk Besluit van 8 juli 1997 bepaalt aan welke voorwaarden een woning die als hoofdverblijfplaats wordt verhuurd minimaal moet beantwoorden om te voldoen aan de basisvereisten op het gebied van veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid. Dit omvat de verplichting om een woning te verschaffen die voldoende kan worden verwarmd en die beschermd is tegen vocht en slecht weer. Hoewel er geen precieze temperatuur wordt genoemd, is deze verplichting de wettelijke basis voor alle gewestelijke regelgeving.
De Belgische regelgeving definieert de aanvaardbare thermische arbeidsomstandigheden en de aspecten van thermisch comfort worden door de Gewesten behandeld in de EPB-regelgeving.
Het wintercomfort van nieuwe gebouwen vormt in theorie geen probleem: de isolatieniveaus van de EPB-regelgeving zorgen niet alleen voor een lager energieverbruik, maar garanderen ook een zeer goed wintercomfort (stabielere binnentemperaturen, minder koude binnenmuren).
De EPB-regelgeving kijkt ook naar het zomercomfort, maar met de huidige maandelijkse methoden is het niet mogelijk de risico's op oververhitting gedetailleerd te beoordelen.
Op federaal niveau
De wet behandelt thermisch comfort in de Codex over het welzijn op het werk, die minimale voorwaarden voor het binnenklimaat vastlegt die moeten worden nageleefd voor de veiligheid en gezondheid. Deze voorwaarden kunnen worden gezien als een wettelijke definitie van de minimale binnentemperatuur op werkplekken, maar niet als comfortabele omstandigheden in de zin van de normen.
Minimale temperatuur: De Codex legt een minimale omgevingstemperatuur op, afhankelijk van de intensiteit van de fysieke inspanning voor het werk. Concreet mag de luchttemperatuur niet lager zijn dan:
| De luchttemperatuur mag niet lager zijn dan1: |
Voorbeeld van activiteiten2 |
Werkbelasting (W) |
| 18 °C voor zeer licht werk |
|
<117 W |
| 16 °C voor licht werk |
|
117-224 W |
| 14 °C voor middelzwaar werk |
|
235-360 W |
| 12 °C voor zwaar werk |
|
361-468 W |
| 10 °C voor zeer zwaar werk |
|
>468 W |
[1] Codex boek V titel 1 Thermische omgevingsfactoren.
[2] Thermische omgevingsfactoren | FOD Werkgelegenheid - Arbeid en Sociaal Overleg
Blootstelling aan warmte: De actiewaarden voor blootstelling aan warmte worden vastgesteld op basis van de WBGT-index voor warmtebelasting, afhankelijk van de fysieke werkbelasting:
| Fysieke werkbelasting | Max. WBGT-index |
| Licht of zeer licht | 29 |
| Gemiddeld | 26 |
| Zwaar | 22 |
| Zeer zwaar | 18 |
Als deze waarden worden overschreden (als gevolg van een hittegolf of een warme omgeving), moet de werkgever maatregelen nemen om de werknemers te beschermen (ventilatie, pauzes, drinken enz.)
De Belgische wet definieert "thermisch comfort" als het naleven van deze grenzen: het garanderen van minstens de minimumtemperatuur in de winter en het niet overschrijden van een bepaalde hittestress in de zomer. Hoewel dit niet alle nuances van het gevoelscomfort omvat, is het de concrete wettelijke vertaling van de eis voor thermisch comfort op de werkplek.
Thermisch comfort in de gewestelijke regelgeving
De Gewesten leggen geen regels op voor verwarming of airconditioning. Voor de EPB-berekeningen bedragen de gemiddelde temperaturen 18°C voor verwarming en 23°C voor airconditioning.
De norm NBN EN 12831-1 ANB:2020 wordt gebruikt om het verwarmingsvermogen te berekenen. Tabel NA.2 - Basistemperatuur binnen geeft onder andere 18°C aan voor een slaapkamer, 20°C voor een woonkamer, klaslokaal of kantoor en 24°C voor een badkamer ...
Met betrekking tot airconditioning definieert de norm NBN EN ISO 52016-1:2017 de berekeningsmethode voor de behoeften, terwijl de norm NBN EN 16798-1 de referentietemperaturen voor het binnencomfort aanreikt, die als instelpunten worden gebruikt in de berekeningen.
